Vorige week stond ik in een school te wachten tot de directeur klaar was. Naast me was de deur van de schoolbib. Een kleuter van vier probeerde ze open te krijgen, duwde, hing met haar volle gewicht aan de klink en gaf het op. De deur knelde. Onderaan schuurde ze over de vloer, je moest ze met je heup een beetje optillen om binnen te raken.
Ik deed het voor haar open. Binnen stonden prachtige boeken. Netjes gesorteerd, met kleurcodes, met een voorleesstoel en een tapijt. En met die typische stilte van een ruimte waar al een tijd niemand meer is geweest.
Toen de directeur me kwam halen, zei ik dat de deur knelde. Ze lachte: “Ja, dat is al een eeuwigheid zo.”
En later in het gesprek ging het over leesplezier. Over hoe moeilijk het is om de bib te doen leven. Over dat de leerkrachten er te weinig mee doen.
Het is nooit één ding
Ik hoor dit in veel scholen, en het gaat niet altijd over een bibliotheek. Het is de beweegkoffer op de zolder, waar je een sleutel voor moet vragen. De kast met ontwikkelingsmateriaal achter een gordijn in het lokaal van de collega die er niet graag mensen binnenlaat. De iPads die je twee dagen vooraf moet reserveren in een schriftje dat in het bureau ligt. De tuin waar je alleen bij kan via de refter, en dus niet rond middagtijd.
Stuk voor stuk zijn het kleinigheden. Niemand maakt er ruzie over. Je zegt het één keer, misschien twee keer, en dan is het iets waar je gewoon rond wandelt.
Maar een kleuterleerkracht met twintig kleuters aan haar hand maakt in een halve seconde een rekensom. Twintig jassen, twee die nog naar het toilet moeten, één die net huilt, en dan een deur die je met je heup moet optillen terwijl je rij in de gang staat te wachten. Die rekensom valt bijna altijd in het nadeel van de bib.
En dan komt het ergste stuk: ze denkt dat het aan haar ligt. Dat ze te weinig met boeken doet. Dat andere leerkrachten dat wel rondkrijgen. Dat ze er te weinig energie in steekt. Ze vertelt zichzelf een verhaal over haar eigen motivatie, terwijl er eigenlijk een scharnier stuk is.
Waarom “doe er meer mee” niet helpt
De klassieke reactie in een school is een impuls van bovenaf. Een nascholing over leesbevordering. Een nieuwe visietekst over taal. Een aankoop van vijftig nieuwe boeken. Een puntje op de personeelsvergadering: laten we de bib meer gebruiken, we hebben er tenslotte in geïnvesteerd… Allemaal goed bedoeld. En allemaal gericht op motivatie, terwijl motivatie nooit het probleem was.
Wat er gebeurt is dit: je legt er nog een laag verwachting bovenop bij mensen die al tegen de deur duwen. Wie erna nog steeds niet naar de bib gaat, heeft nu niet alleen een knellende deur, maar ook het gevoel dat ze tekortschiet. En wie zich schuldig voelt, gaat niet vertellen waar ze vastloopt. Die zwijgt, knikt op de vergadering en zoekt een eigen oplossing in haar klas.
Daarom blijft die deur ook zo lang kapot. Niet omdat niemand het ziet, maar omdat het benoemen ervan aanvoelt als een uitvlucht. “Ik doe niets met de bib, want de deur klemt” klinkt in geen enkele lerarenkamer sterk. En dus zegt niemand het luidop, en hoort de directeur alleen dat het aan engagement ligt.
Wat zo’n deur met een team doet
Blijft het lang genoeg zo, dan verandert de deur in een verhaal. “Bij ons lukt zo’n bib niet.” “Onze kleuters zijn daar te klein voor.” “Dat hebben we geprobeerd, dat werkt hier niet.” De ruimte wordt langzaam een stille plek waar wat overtollig materiaal naartoe verhuist.
En dat verhaal wordt doorgegeven. Een nieuwe collega hoort in haar eerste week al dat je daar beter niet met je hele groep naartoe gaat. Ze heeft die deur nooit zelf geprobeerd, maar ze gaat er niet meer heen.
Zo bouwt een school ongemerkt een reeks plekken op waar niemand meer binnengaat, en een team dat denkt dat het aan hen ligt. Het zelfvertrouwen slijt af door de kleine dingen, niet aan de grote.
Begin bij het scharnier
Wat helpt, is ‘trager’ kijken.
Loop het traject eens zelf. Niet alleen, maar op woensdagvoormiddag met de kleuters van de tweede kleuterklas erbij. Van de klasdeur tot de voorleesstoel, met jassen, toiletbezoek en een rij die wacht. Je voelt binnen de vier minuten wat er knelt.
Vraag daarna niet naar meningen, maar naar de laatste keer. “Wanneer was jij er voor het laatst met je groep?” En vooral: “Wat maakte het toen lastig?” Dat is een andere vraag dan “Wat vind je van onze bib?”. Mensen antwoorden veel eerlijker op deze eerste vragen.
Herstel dan eerst het scharnier, niet het interieur. Voor die deur is het een schrijnwerker en een halve dag. Voor de iPads is het misschien alleen het schriftje dat naar de gang verhuist. Het is verleidelijk om meteen aan een hele herinrichting te beginnen, maar de kleinste ingreep die de wrijving wegneemt, doet vaak meer voor het gebruik dan vijftig nieuwe boeken.
In de scholen waar dit goed loopt, is er iemand die dat gewoon op zich neemt, en is er twee of drie keer per jaar een moment waarop dit soort kleinigheden op tafel mag. Vijf minuten, geen agenda: wat knelt er letterlijk? Zo lang dat nergens thuishoort, blijft het een klacht in de gang en geen punt dat opgelost raakt.
En dan mag die andere vraag komen, de vraag waar ik graag met teams bij stilsta. Waarom hebben wij die ruimte eigenlijk? Wat willen we dat onze kleuters daar leren of ervaren? Soms blijkt uit dat gesprek dat de bib inderdaad herstel verdient. En soms blijkt dat niemand nog weet waarom ze er is, en dat de ruimte zelf in vraag kan gesteld worden.
Wat ik je vooral wil zeggen: als er bij jullie een plek is waar niemand nog komt, een kast die zelden nog open gaat, een koffer die onder het stof blijft… kijk eerst naar het scharnier voor je naar je team kijkt. En als je bij jezelf merkt dat je ergens niet meer naartoe gaat, wees dan nieuwsgierig in plaats van streng. Waarschijnlijk ben je niet minder gemotiveerd geworden. Waarschijnlijk duw je al maanden tegen iets dat kapot is.
Welke ‘deur’ knelt er bij jullie al een eeuwigheid?