Weet je… ik nam de proef op de som!

Gepubliceerd op 11 april 2026 om 20:49

Een kleuterleerkracht uit het diepe West-Vlaanderen vertrouwde me toe dat ze gewoon even wilde uittesten of het haar zou lukken. Ze had het over het minimumdoel om 15 letters aan te leren aan haar 3e kleuters. Ze had echter één voorwaarde… ze zou het op haar eigen manier doen. Geen lesjes, geen specifieke opbouw, geen methode…gewoon aangrijpen wat zich aandiende bij de kleuters.

 Ze werkte verder op haar vertrouwde manier en liet de kinderen aan zet… vertrekkend vanuit hun interesses.

“Marieke, die 15 lettertekens zullen we met gemak halen… zonder de voorgeschreven lesjes.” : liet ze me in maart reeds weten.

Het doet me denken aan de tijd dat ik met 2e en 3e kleuters werkte. Heerlijk was dat; hun wereld van de geschreven taal opentrekken. En ja, als je er een gewoonte van maakt om taal te laten leven in de klas geraak je al heel ver.

Enkele principes.

  1. Woorden zijn aaneengerijgde klanken

Er was doorheen de klasdag een natuurlijke spontane aandacht voor auditieve discriminatie door woorden regelmatig te ‘hakken’.  Zo snapten kinderen gaandeweg dat woorden een samenstelling van klanken zijn. Door te vertrekken van klanken is er ook geen misvatting: OE is 1 klank:  nl. [oe], EU is [eu], CH is [ch]  Geen gesukkel vanuit letterkennis… gewoon wat je hoort.  Appel = [a]-[p]-[ Ə]-[l]  Om de zoveel zinnen bracht ik een woord in klanken: een naam: [dzj] [oe] [l] [s] , in een opdracht: “Neem jij je  [j] [a] [s]?”, via een raadsel: “Wat betekent [w] [ie] [r]? Zo kwamen kinderen dagelijks meermaals in contact met de opbouw van woorden.

  1. Woorden kan je visualiseren op papier zodat je die steeds kan herlezen.

Kinderen vinden het fascinerend dat je boodschappen opnieuw kan ophalen nadat het genoteerd werd. 

Dus ik noteerde heel veel, met een vast (afgesproken) lettertype, de kapitalen. Duidelijk herkenbaar, eenvoudig en makkelijk te noteren. Eenvoudig zodat de kleutermotoriek geen drempel vormt om zelf met de lettertekens aan de slag te gaan en te beginnen noteren.

Op basis van die 2 principes hadden we heel leerrijke inzichtelijke gesprekken over geschreven taal.  “Wij hebben dezelfde letter vooraan maar die klinkt anders!”  Gilles [zj] en Griet  [g].  “We horen in onze naam hetzelfde, de OO, Nore en Toon, maar in mijn naam is het anders geschreven!”

Kinderen kwamen op een heel spontane manier laagdrempelig tot inzicht dat er een logische link was tussen de klank en het neerschrijven ervan. Soms uit zichzelf,  maar evengoed doordat ik hen hierop wees.  Ze zagen ook erg snel dat er een diversiteit was in het neerschrijven van klanken. Voor ons waren dat ‘foppers’’. “Je ziet een ‘O’ maar je hoort een ‘OO’.” De ‘E’ was kampioen. Die kon klinken als ‘’E, als ‘EE’, als ‘U’ en ook soms als ‘I’.

Er waren ook erg boeiende momenten wanneer we vaststelden dat bepaalde lettertekens in andere talen anders klinken.  Juliètte,  Mamadou, James, Husnija, Kenjiro, …

En zo ontstonden er een aantal routines in de klas waardoor we dagelijks bezig waren met taal.

-Het sprak voor zich dat de kleuters heel snel hun eigen naam noteerden (tekenden) bij hun tekeningen, hun bouwwerken, hun puzzels.

-Wanneer kinderen tijdens het onthaal een gebeurtenis vertelden werd er telkens een woordkaart gemaakt van de kern van het verhaal. De kleuter tekende en ik noteerde er het woord bij. Zo hadden we op den duur heel wat betekenisvolle woordkaarten.

-Tekeningen werden steevast vervolledigd met een zelfbedacht verhaal. Het kind vertelde, ik noteerde. Nadien kon het kind zelf experimenteren met de geschreven woorden. (natekenen, gelijke lettertekens zoeken, …) Het vertelde (en genoteerde) verhaal werd dan ook nog eens voorgelezen aan de klasgroep. Zo was de cirkel rond.

-Op het einde van de dag was er een terugblik waar staakwoorden werden genoteerd in het klasdagboek dat ook door ouders te herlezen was.

-Tijdens verjaardagen schreven kinderen zelf wensen naar hun klasgenootje a.h.v. voorbeeldkaarten.  

- Gaandeweg kwamen ook de leesletters in de klas. Want kinderen stelden vast dat in hun prentenboeken andere letters waren gedrukt dan deze die we schreven. Zo kwam het dat specifieke woordkaartjes zowel de kapitalen als de leesletters gingen bevatten. Netjes onder elkaar, zodat de link kon gelegd worden.

-In de boekenhoek lag niet enkel leesmateriaal maar ook schrijfmateriaal én lagen er kopietjes uit boeken waar kinderen konden op noteren. (natekenen,  lettertekens fluoresceren die ze reeds kennen uit hun naam, of die van hun vriendje)

Dat alles leidde ertoe dat kinderen die rijp waren helemaal konden duiken in het lezen en schrijven zonder specifieke klassikale lesjes en zonder dat we de 'krulletters' reeds aanleerden.

Veel kleuters kenden al heel wat lettertekens tegen het moment dat ze naar het eerste leerjaar gingen. Deze van hun naam, deze van de naam van hun vriendje, de M van mama en V van de vis in de klas.  De J van juf en de K van juf Katrien die wekelijks kwam helpen. En zo telde dat wel op.  Maar voor mij was er één ding nog interessanter dan het aantal lettertekens dat ze kenden. Dat was dat veel kinderen,  tegen dat ze de overstap maakten naar het eerste leerjaar, het principe van lezen en schrijven onder de knie hadden waardoor ze hun klanken aan elkaar konden rijgen tot woorden en deze soms zelf al konden neerschrijven. Ze begrepen het systeem van lezen en schrijven.

Bronnen:

https://www.alfabetcode.be/de-alfabetcode-een-snelle-rondleiding-15-minuten/ 

Dwaalspoor dyslexie (2012)– Eric Moonen

Wat jonge kinderen echte lezers maakt (2025) - Wilna Meijer